Voorkomen van vaginisme

Men vermoedt dat vaginisme vaak te weinig wordt gerapporteerd en gediagnostiseerd en daardoor ook onderschat wordt (Leiblum et al., 1989; Crenshaw en Kessler, 1985). Een grootschalige Amerikaanse epidemiologische studie noteert dat 10 tot 15% van de vrouwen consistente coïtale pijn rapporteren (Laumann et al., 1994). In Nederland alleen al zijn er 150.000 vrouwen die vaginisme hebben (Nijmeegse wetenschapswinkel). In de normale populatie komen volgens Phillips (2000) seksuele dysfuncties in het algemeen bij 18 à 50 % van de vrouwen voor. Halvorsen (1992) breidde dit percentage zelfs uit tot 75 %. Dit zijn niet te onderschatten ratio’s.

In mijn praktijk kom ik voornamelijk in contact met drie soorten patiënten (drie leeftijdscategorieën):

- De eerste categorie bestaat uit jonge meisjes die nog nooit betrekkingen gehad hebben, of al een poging gewaagd hebben, maar met veel moeite en pijn. Zij hebben zopas ontdekt dat er klaarblijkelijk iets niet klopt en dat ze als het ware 'te nauw' zijn. Een eerste bezoek aan de gynaecoloog heeft  hen vaak  niet veel heeft bijgebracht, waarbij hun probleem soms werd weggelachen. Ze zijn vaak bang om betrekkingen te hebben. Dit is de primaire vorm van vaginisme, en veelal de minst ernstige vorm. Ze kan heel effectief en snel behandeld worden.

- De tweede categorie patiënten betreft juist bevallen vrouwen. Zij kunnen last hebben van twee typische bekkenbodemspierproblemen: incontinentie en pijn bij betrekkingen. Het eerste probleem kan effectief kinesitherapeutisch behandeld worden en het tweede  is vaak van voorbijgaande aard. De oorzaak is het pijnlijke littekenweefsel van de episiotomie (knipje) of het oestrogeentekort waardoor de vagina minder vochtig is. Dit wordt nog verder in de hand gewerkt als vrouwen borstvoeding geven. Een glijmiddel kan het probleem vaak grotendeels oplossen. Vaak spelen vermoeidheid en de aanpassing aan de nieuwe situatie (van koppel-relatie naar relatie met 3) ook een grote rol in de evolutie van dit probleem. 

- De laatste groep is de minst duidelijk te definiëren groep. Hiertoe behoren vrouwen van allerlei leeftijdsklassen; de vrouw met de langdurige relatie, waarbij het in het begin zo goed ging, en dan - misschien zelfs zonder duidelijke reden - steeds minder en minder goed, de oudere vrouw, die reeds lang geen betrekkingen meer gehad heeft en nu een nieuwe partner heeft, de vrouw met een (al dan niet ernstige) problematische psychologische achtergrond,  enz... Deze vrouwen hebben vaak een secundaire vorm van vaginisme, dit wil zeggen dat ze al ooit zonder problemen seksuele betrekkingen gehad hebben, maar nu, om de één of andere reden, pijn bij gemeenschap hebben (let wel: bij de laatste patiëntenpopulatie  komt de primaire vorm ook voor). Deze groep is de moeilijkste groep om te behandelen omdat er verscheidene factoren kunnen meespelen. Vaak is bij deze groep ook psychologische begeleiding nodig en is lichamelijke therapie alleen niet voldoende.