Oorzaken van vaginisme

Oorzaken kunnen psychisch, psychosomatisch of louter lichamelijk zijn. Vaak wordt aangenomen dat vaginisme een ernstige psychologische oorzaak heeft of blijft voortbestaan door psychologische problemen (bv. relatieproblemen). In mijn praktijk kom ik ook in contact met vaginistische patiënten en vrouwen met pijn bij gemeenschap die de oorzaak van hun vaginisme niet kennen en geen zware psychologische achtergrond hebben of een zwaar psychologisch conflict manifesteren. Vaak kan een banale pijnervaring bij een eerste poging tot vrijen de stoornis initiëren en komen vrouwen in een vicieuze cirkel terecht. Ze hebben telkens weer pijn als ze proberen te vrijen, zo spannen de bekkenbodemspieren zich verder op waardoor de angst om te vrijen weer toeneemt en de pijn verergert. Deze patiënten zijn de doelgroep voor lichamelijke therapie.

Vooraleer men een sekstherapeutische of kinesitherapeutische behandeling van vaginisme start  is het belangrijk om eerst de medische oorzaken van pijn bij gemeenschap (dyspareünie) of vaginisme uit te sluiten.  Verscheidene organische pathologieën kunnen vaginisme faciliteren. Vaginale infecties (Candida, Trichomonas, Gardnerella), abnormaliteiten van het hymen, congenitale abnormaliteiten (bekken teveel naar voor gekanteld), operaties aan de vagina, vestibulitis, endometriosis, vaginale letsels, littekenweefsel, kystes en tumoren zijn slechts enkele van de vele mogelijke oorzaken waardoor vrouwen last kunnen hebben bij het vrijen (Basson, 1996; Abranow et al., 1994; Beck, 1993; Shortle en Jewelewicz, 1986; Lamont, 1978; Rey, 1977).
Elk medisch probleem dat dyspareünie geeft kan resulteren in vaginisme. Een spasme is aanvankelijk een gepaste reflex op een pijnlijke stimulus maar kan blijven bestaan als een geconditioneerde respons wanneer het primaire probleem opgelost is.

Onvoldoende kennis door een gebrek aan seksuele educatie, onderschatting van het probleem en (religieuze)schuldgevoelens  (Reissing et al., 1999) zijn ook mogelijke oorzaken.

Angst is ook een heel belangrijke factor die als onderhoudende trigger kan meespelen.  Angst voor het onbekende, angst voor intimiteit, angst voor zwangerschap en SOA's zijn slechts enkele voorbeelden. Verder is er in de meeste gevallen een angst voor pijn. Een variëteit van ervaringen in de kindertijd kunnen een angst voor pijn bewerkstelligen (bv. fysiek trauma in de kindertijd (Malleson,1942), angst voor vader (Silverstein, 1989; Barnes, 1986; O’ Sullivan, 1979), een negatieve moederlijke conditionering,... (Shortle en Jewelewicz, 1986). Ook banale, kleine pijnervaringen kunnen angst voor pijn doen ontstaan waardoor de patiënt vaak in een vicieuze cirkel terechtkomt. Faalangst kan er ten slotte toe bijdragen dat deze angst voor pijn telkens wordt bekrachtigd waardoor men de vaginistische reactie op gang brengt. Men weet op voorhand dat men pijn zal hebben, daarom spant men de bekkenbodemspieren op waardoor gemeenschap pijnlijk blijft en zo creëert men vaginisme, een onbewuste en reflexmatige samenspanning van de bekkenbodemspieren.

De partner kan ook een mogelijk inbreng hebben in het proces. In de literatuur wordt vaak gewezen op de brave en voorzichtige partner bij een vrouw met vaginisme. De partner is in de eerste plaats zo voorzichtig omdat hij zijn vrouw geen pijn wilt doen, maar hoewel dit goed bedoeld is, kan het probleem (angst voor pijn) hier mede door in stand gehouden worden. Sommige psychoanalytische theorieën schuiven naar voor dat vrouwen zo'n  passieve en niet assertieve partner nemen als reactie op hun dominante vader waardoor een normale seksuele relatie in het gedrang komt (Silverstein, 1989). Een tweede bijdragende factor zijn seksuele dysfuncties bij de man (erectieproblemen, premature ejaculatie), deze komen soms samen voor met seksuele problemen bij de vrouw. Systeemtherapeuten zien hierbij de seksuele dysfunctie van de vrouw als een noodzakelijke component om de relatie te doen overleven. Als een vrouw succesvol behandeld wordt kan haar man, bij wijze van reactie, nu zelf seksuele problemen manifesteren, dit omdat het koppel eigenlijk niet zonder het probleem kan, het probleem heeft ahw een functie in de relatie (Harrison, 1996; Speckens, 1995; Lamont, 1994; Hawton en Catalan, 1990; Barnes, 1986, Vansteenwegen). Verder kunnen negatieve gebeurtenissen  in de relatie (conflicten, ontrouw,...) zeker meespelen in het onstaan of voortbestaan van vaginisme.

De media speelt ook een belangrijke rol.  Seksualiteit wordt vaak afgeschilderd als iets uitermate positief en noodzakelijk. Men staat er niet bij stil dat veel vrouwen (ook zonder vaginisme) af en toe pijn bij gemeenschap hebben (volgens sommige studies kan dit oplopen tot 50%) en men gaat er van uit dat gemeenschap altijd pijnloos moet gebeuren.  Veel koppels hebben in het dagelijkse leven echter af en toe minder positieve ervaringen en bij de minderheid van de vrouwen staat gemeenschap of 'de daad' op de eerste plaats. Bij een vrouw met vaginisme speelt hierbij het schuld- en schaamtegevoel mede een rol: men denkt 'abnormaal' te zijn, voelt zich minder vrouw ('want iedereen heeft gemeenschap'), men forceert zich door de pijn en creëert zo vaginisme. Een vrouw met vaginisme zet  zich soms ook onbewust af tegen bepaalde op- en misvattingen in de maatschappij en media.

Tenslotte zijn er in de literatuur ook psychoanalytische verklaringen terug te vinden voor het ontstaan van vaginisme:

De klassieke psychoanalytische theorieën zagen vaginisme als een conversiestoornis die veroorzaakt werd door niet opgeloste psychoseksuele conflicten in de kindertijd (Fenichel, 1945). Bij een conversiestoornis uiten psychische klachten (bvb. angst) zich in lichamelijke symptomen (bvb. vaginisme). Vaginistische vrouwen vertonen een regressie naar de preoedipale of oedipale stadia in de ontwikkeling. De vrouwen kunnen hun libinale energie niet transfereren van hun vader naar hun partner (Abraham, 1945). In ernstige gevallen blijven vaginistische vrouwen gefixeerd op hun moeder.

Nieuwe psychopathologische theorieën beschrijven vaginisme als een psychofysiologische stoornis met fobische elementen die resulteren uit echte of ingebeelde negatieve ervaringen met seksualiteit en/of penetratie. Figueira (2001) wees hieromtrent op het hoge voorkomen van seksuele disfuncties bij patiënten met paniekstoornissen of sociale fobie.

Seksueel misbruik kan aansluitend hiermee aangehaald worden maar er moet op gewezen worden dat de aard van de seksuele dysfuncties, resulterend uit verkrachting en seksueel misbruik, kunnen variëren. Chapman (1989) suggereert dan aanvallen van seksueel geweld zowel de affectieve als fysiologische gezondheid van de vrouw kunnen aantasten. Hij heeft een studie verricht waarbij hij de impact van seksueel misbruik op het seksueel verlangen, angst, arousal en orgasme (onderdelen van de affectieve gezondheid) evalueerde. De fysiologische en gynaecologische gezondheid onderzocht hij via de fenomenen dyspareünie, vaginisme, intra-uteriene bloedingen, vaginitis en pelvische operaties. Hij vond bij 61% van de seksueel misbruikte patiënten enige vorm van seksuele dysfunctie. Ongeveer hetzelfde percentage heeft gynaecologische problemen. Dit percentage is vrij hoog als we dit vergelijken met andere studies. Velen tonen geen significante groepsverschillen voor vaginisme bij misbruikte en niet-misbruikte personen (Depree Jones et al., 1997; Bisuas en Ratnam, 1995; APA, 1994; De Moor, 1972). Er moet wel op gewezen worden dat studies van deze aard heel moeilijk zijn omdat veel slachtoffers weigeren mee te werken (slechts 45% van de slachtoffers in de crisiscentra wilden meewerken aan de studie van Chapman). Dit gegeven moet in het achterhoofd gehouden worden bij de interpretatie van de data en bij verder onderzoek van deze patiëntenpopulatie.

Er dient vermeld te worden dat veel vrouwen de oorzaak van hun vaginisme niet kennen. Het kan ook zijn dat geen enkele van bovenstaande theorieën voor u van toepassing is. Zoals gezegd kan een banale kleine pijnervaring de stoornis al initiëren. Iedereen is individueel verschillend waardoor ook de effectiviteit van bepaalde therapieën bij iedereen anders kan zijn.