Behandeling van vaginisme

I. Lichamelijke behandeling

De lichamelijke behandeling van vaginisme is heel eenvoudig (“Incredibly simple”, Kaplan 1974) en heeft als primaire doel het opheffen van het spierspasme (Halvorsen, 1992). In de literatuur wordt dit vermeld als ‘desensitization’. Het heeft een heel hoog succesratio.

Concreet kan dit gedaan worden door een speciaal opgeleide seksuoloog-kinesitherapeut gespecialiseerd in bekkenbodemspierreëducatie. Het doel van de behandeling is de vicieuze cirkel (angst – spanning - pijn – meer angst) te doorbreken. Door middel van een spiegel en dmv contact met de vaginale zone wordt aan de patiënt een betere kennis van het lichaam aangeleerd. Er wordt naar een betere proprioceptie van de genitaliën en spieren gestreefd door middel van het gradueel opbouwen van fantoompjes die oplopen in lengte en diameter. De patiënt moet de bekkenbodemspieren leren sluiten en aanspannen en de spieren in verschillende posities leren controleren en ontspannen.

Deze behandelprincipes worden ook toegepast in de modulaire behandeling.

Een patiënt met vaginisme moet rustig en met begrip benaderd worden. De patiënt kan overdonderd worden door deze benadering doordat bepaalde emoties terug geactiveerd worden (Wijma et al., 1998). Het eerste contact is vooral anamnestisch waarbij zware psychologische problemen moeten uitgesloten worden. Er worden vragen gesteld om na te gaan waar het probleem zich situeert. Belangrijk tijdens dit contact is  dat de patiënt discreet benaderd wordt. Tijdens het klinisch onderzoek wordt de vrouw in gynaecologische houding geplaatst. We observeren de reactie op de aanraking van de enkel tot de dij. Ondertussen wordt er praktische uitleg gegeven. Pas dan kan overgegaan worden op rechtstreekse aanraking en penetratie. De therapeut doet dit via manuele technieken, belangrijk is hierbij de ervaring van de therapeut en de correcte uitvoering van de technieken, zodat de patiënt met de grootste zorg en discretie benaderd wordt. Heel belangrijk is dat de patiënt zelf het ritme aangeeft. Het kan wel drie sessies duren vooraleer een toucher wordt bereikt. Wanneer dit lukt, brengt de patiënt of eventueel de partner indien de patiënt niet wil, één vinger naar binnen. Een volgende stap is het inbrengen van een staafje met ongeveer dezelfde diameter als een vinger. Daarna gebeurt het inbrengen van twee vingers, één vinger van de patiënt en één vinger van de therapeut en een nog groter staafje. Pas daarna twee vingers van de patiënt. Om een normale coïtus mogelijk te maken, wordt geoefend met drie vingers (of staafje nr. 3). Het werken met vingers en staafjes is te verkiezen boven het werken met staafjes alleen omdat men zo een vertrouwensrelatie bewerkstelligd. De patiënte weet dat ze nu een penetratie door een andere persoon kan ervaren zonder pijn en krijgt zo weer vertrouwen in andere mensen. Inbrenging van een fantoom (glazen staaf in de vorm van de penis) is de volgende stap.

Vervolgens wordt met biofeedback en elektrostimulatie gewerkt (uiterst zwakke stroom, stimulering van de b-zenuwvezels, ter relaxatie van spieren en vermindering van pijn, deze stroomvorm wordt ook bij andere kinesitherapeutische  indicaties gebruikt). De patiënte bepaalt zelf hoever ze hierin wil gaan als ze nog bijkomende ontspanning wenst. Het is belangrijk dat de patiënte het ritme aangeeft zodat we haar autonomie niet aantasten. Bij de laatste lichamelijke stappen worden vaak nog een paar praktische tips  ter optimalisering van de coïtus gegeven, ook als voorbereiding tot een echte betrekkingen met de partner. De psycho-seksuele stappen die de lichamelijke  stappen opvolgen verschillen naargelang de doelstellingen en hulpvraag van de patiënte of het koppel.

Het kan gebeuren dat er ondanks deze lichamelijke behandeling toch nog bijkomende problemen optreden. Bij geassocieerde psychologische problemen, zoals fobische elementen, negatieve conditionering, schuldgevoelens, angst voor pijn, relatieproblemen, enz,... zijn verdere psychotherapeutische of sekstherapeutische interventies aangewezen (www.relatie-therapie.be).

 

II. Algemene medische behandeling

De algemene medische behandeling is gericht op de organische en hormonale condities die bijdragen aan vaginisme, dyspareünie of andere seksuele disfuncties. Voorafgaande of bestaande kwetsuren, littekenweefsel, kysten, gezwellen of verkeerde positioneringen moeten uitgesloten of effectief behandeld worden. Aanwezige chronische systemische ziektes worden bekeken; diabetes wordt gecontroleerd, schildklier-disfuncties gecorrigeerd alsook andere mogelijke stoornissen die kunnen bijdragen aan de irritatie en/of het minder vochtig worden van de vagina (na de zwangerschap kan het geven van borstvoeding een tijdelijke vaginale droogte bewerkstelligen). Negatief werkende farmacologische therapieën worden aangepast. Tenslotte moeten slechte gewoontes omtrent medicatiegebruik, voeding en onvoldoende rust  weggewerkt worden (Halvorsen et al., 1992).

 

III. Algemene psychoseksuele behandeling

In de medische behandeling van organische seksuele problemen kan sekstherapie helpen om patiënten aan te passen aan de negatieve impact van de fysiologische beperkingen op hun seksualiteit. Daarenboven kunnen alternatieve wegen aangeboden worden om seksuele voldoening te bekomen.

Voor de behandeling van psychogeen vaginisme en andere seksuele disfuncties is psychoseksuele therapie effectief gebleken. Het centrale principe is het principe van “verantwoordelijkheid voor zichzelf (responsibility for self)”. Elke partner krijgt hier, naast gemeenschappelijke behandeling, ook afzonderlijke therapie gericht op de ontwikkeling van hun eigen seksualiteit. Een tweede basisprincipe houdt gedragsverandering in, zodat, vanaf een bepaald punt in de behandeling, groei in seksuele attitudes, prestatie en gevoelens kan optreden. Het aanleren van fysiologische relaxatie is het primaire doel van de behandeling (zie lichamelijke behandeling). Adequate en voldoeninggevende seksuele prestaties zijn afhankelijk van de mogelijkheid tot relaxatie van de bekkenbodemspieren. Dit is de belangrijkste fundering voor een natuurlijke fysiologische en psycho-seksuele opwinding. Een laatste principe bestaat uit de opheldering van de grenzen tussen de seksuele en de niet-seksuele aspecten van de disfunctie. Seksualiteit verbetert alleen als al deze aspecten benaderd worden.

De klassieke sekstherapie is geworteld in het fysiologisch model van seksuele verantwoordelijkheid dat gefundeerd is in het seksueel respons-model van Masters en Johnson. Sekstherapie poogt de individuele en interpersoonlijke blokkeringen in de natuurlijke fysiologische respons weg te nemen. Het vertraagt de fysiologische respons; isoleert specifieke fasen in de seksuele respons-cyclus en verwijdert de stoornissen die de responsiviteit blokkeren. Mogelijke componenten van sekstherapie zijn (Halvorsen, 1992):

  • Relaxatietraining met gerichtheid op persoonlijke lichaamssensaties.
  • Duele sekstherapie. Hierbij gaat men ervan uit dat vrouwen en mannen verschillen in hun seksuele rollen en ervaringen. Het beklemtoont het belang van evenwicht en rechtvaardigheid tussen beide.
  • Cognitieve gedragstherapie waarbij graduele seksuele thuisoefeningen geëvalueerd worden in de behandelingssessies. Belangrijke thema’s die besproken worden zijn: bekwaamheid versus incompetentie, autonomie versus afhankelijkheid, isolatie versus fusie en het effect van de behandeling (Shaw et al., 1994). Harrison (1996) rapporteert een succesratio van 85%.
  • Communicatietraining: leren uiten van emoties ed...
  • Hypnose om seksuele inhibitie of een doorgemaakt trauma op te sporen.
  • Aanvullende therapieën zoals workshops, seksuele opvoeding, massagetraining,…
  • Integrerende behandelingsstrategieën met clustering van de meest efficiënte therapieën.

Als er zich na al deze sekstherapeutische interventies toch nog problemen manifesteren, is individuele psychotherapie aangewezen (liefst voor beide partners).